In de winter van 1942-1943 ligt de dan zevenjarige Paul Hellmann in een bed op een stille, halfdonkere zolder. Licht dringt alleen binnen door een raampje tussen de balken. Boven zich ziet hij een Duitse soldaat met het geweer over de schouder heen en weer lopen. Algauw heeft die aanwezigheid iets vertrouwds. Ingepakt tussen de lakens voelt de jongen zich veilig.
Pas veel later zal tot hem doordringen wie hem die veiligheid geboden hebben: de Mevrouw in wier huis hij ondergedoken zat was de dochter van Anthony Kröller en Helene Kröller-Müller.
In Mijn grote verwachtingen verhaalt Paul Hellmann over zijn onderduiktijd op de Veluwe, over de naoorlogse jaren die hij doorbracht in het gezin van Marten Toonder, over zijn tante Ilse, een befaamde psychoanalytica in Londen, over zijn moeder Clarissa en over zijn vader Bernhard Hellmann, die in Sobibor werd vermoord – hetzelfde lot dat zijn grootmoeder Irene trof in Auschwitz. Voor zijn vader, boezemvriend van de wereldberoemde bioloog Konrad Lorenz tot die de nazi-ideologie omhelsde, richt hij een monumentje op. Zoals voor de grote sterren van Hollywood, Doris Day, Lauren Bacall en vele anderen, wier optimisme en Schwung een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefenden. Mijn grote verwachtingen is bovenal het verhaal van een filmverslaafde, die betoverd verzuchtte: ‘Zo kan het leven ook zijn.’